1. Zorgverlener

Competentie 1:

  • De verpleegkundige stelt op basis van klinisch redeneren de behoefte aan verpleegkundige zorg vast op lichamelijk, psychisch, functioneel en sociaal gebied, indiceert en verleent deze zorg in complexe situaties, volgens het verpleegkundig proces, op basis van evidence-based practice (EBP)

 

Begin situatie:

Voordat ik begon aan de HBO-Verpleegkunde opleiding werkte ik bij GGZ-Rivierduinen op een beschermde woonvorm. In deze functie had ik ervaring met het begeleiden van cliënten met psychiatrische problematiek, zoals schizofrenie, depressie en dementie. Ik voerde ADL-zorg uit, begeleidde cliënten in het dagelijks leven en deelde medicatie. Daarnaast heb ik via een keuzedeel op het werk basiskennis opgedaan van enkele verpleegtechnische handelingen, zoals injecteren en wondzorg, maar deze had ik nog niet zelfstandig toegepast in de praktijk.

Hoewel ik veel ervaring had in het begeleiden van cliënten, merkte ik dat ik kennis miste op het gebied van somatische zorg, klinisch redeneren en het onderbouwen van mijn handelen. Bij lichamelijke klachten of veranderingen in gedrag vond ik het lastig om te bepalen wat er precies aan de hand was en welke zorg nodig was. Hierdoor ontstond mijn motivatie om de opleiding HBO-Verpleegkunde te volgen en mij verder te ontwikkelen in mijn rol als zorgverlener.

Ontwikkeling:

Tijdens mijn opleiding heb ik mij ontwikkeld in het methodisch en onderbouwd verlenen van zorg. In de module Evidence-Based Practice heb ik geleerd te werken volgens de drie pijlers van EBP: wetenschappelijke kennis, klinische expertise en de voorkeuren van de cliënt (V&VN, 2020). Hierdoor baseer ik mijn handelen niet alleen op ervaring, maar ook op richtlijnen en literatuur. In het tweede leerjaar heb ik tijdens de module klinisch redeneren geleerd om bewuster te werken volgens het verpleegkundig proces. Voor mij betekent dit dat ik actief observeer, verbanden leg, prioriteiten stel en handel (Bakker & Verhoeven, 2018). Hierbij gebruik ik de gezondheidspatronen van Gordon om gestructureerd naar verschillende aspecten van de cliënt te kijken. In de praktijk heb ik mij verder ontwikkeld van een afwachtende naar een meer proactieve houding. In mijn SWOT-analyse had ik mijn afwachtende houding als tekortkoming benoemd. Ik merk dat ik hier nu in groei: ik durf mijn observaties beter te onderbouwen, neem vaker initiatief en breng mijn bevindingen actiever in binnen het team. Dit heeft ervoor gezorgd dat ik steviger in mijn schoenen sta als verpleegkundige in opleiding. Daarnaast heb ik geleerd dat zorg niet alleen draait om wat medisch het meest urgent is, maar ook om wat op dat moment haalbaar en beïnvloedbaar is binnen de verpleegkundige zorg. Ik kijk bewuster naar wat ik direct kan betekenen voor de cliënt en sluit meer aan bij wat voor de cliënt zelf belangrijk is. Door deze ontwikkeling kijk ik nu breder naar de cliënt en neem ik een actievere rol in binnen het verpleegkundig proces.

 

Toepassing op werk:

Tijdens mijn werk op afdeling langdurige zorg in periode 1.2 heb ik deze competentie toegepast in een situatie waarbij klinisch redeneren en het signaleren van somatische klachten centraal stond. Tijdens een dagopening viel het mij op dat een cliënt slippers droeg, terwijl hij normaal altijd dichte schoenen draagt. Op het eerste gezicht lijkt dit iets kleins, maar vanuit klinisch redeneren weet ik dat dit juist belangrijke signalen kunnen zijn. Ik ben daarom verder gaan observeren en heb de cliënt gevraagd of ik zijn benen mocht bekijken. Hierbij zag ik dat zijn enkels gezwollen waren en dat er sprake was van oedeem. Ik heb mijn observaties besproken met de arts, die aangaf ernaar te kijken. Hoewel de arts de cliënt heeft beoordeeld en de fysiotherapeut werd betrokken, bleef verdere opvolging uit. In de periode daarna werd hier geen vervolg aan gegeven. Toen ik hier ongeveer twee weken later opnieuw naar vroeg, gaf de arts aan dat de focus lag op andere medische problematiek en dat de dikke enkels op dat moment geen prioriteit hadden. Hoewel ik deze afweging begreep, bleef ik het gevoel houden dat er iets niet klopte en dat we mogelijk iets lieten liggen. De cliënt gaf namelijk aan dat hij al langere tijd last had van zijn enkels, zonder dit zelf te melden. Ik merkte dat ik eerst geneigd was om mee te gaan in deze afwachtende houding. Tegelijkertijd bleef ik het gevoel houden dat ik hier iets mee moest doen. Vanuit mijn rol als verpleegkundige ben ik opnieuw gaan kijken, heb ik mijn zorgen besproken met collega’s en uiteindelijk zelf initiatief genomen door de huisarts te bellen. De huisarts heeft de cliënt beoordeeld, waarna steunkousen werden ingezet en afgesproken werd om het oedeem en de lichamelijke conditie goed te blijven monitoren. In deze situatie heb ik klinisch redeneren toegepast door bewust te observeren, mijn bevindingen te analyseren, prioriteiten af te wegen en opnieuw te handelen toen klachten bleven bestaan (Bakker & Verhoeven, 2018). Hierbij heb ik gebruikgemaakt van mijn eigen observaties, mijn kennis en de situatie van de cliënt, passend binnen evidence-based practice (V&VN, 2020). Wat deze situatie mij vooral heeft geleerd, is dat een afwachtende houding niet altijd passend is en dat ik als verpleegkundige een belangrijke signalerende én initiërende rol heb. Ik merkte dat ik eerst twijfelde, maar uiteindelijk toch mijn verantwoordelijkheid nam en handelde. Dit proces, inclusief mijn handelen, afwegingen en reflectie, heb ik verder uitgewerkt volgens het model van Korthagen (zie bewijslast 1 – Korthagen reflectie klinisch redeneren). Daarnaast heb ik mij ontwikkeld in evidence-based practice, waarbij ik heb geleerd om zorgbeslissingen te onderbouwen met wetenschappelijke literatuur, klinische expertise en de voorkeuren van de cliënt. Deze kennis helpt mij om bewuster en onderbouwd te handelen in de praktijk.


Bewijslast:

Competentie 2:

  • De verpleegkundige versterkt (zo ver als mogelijk) het zelfmanagement van mensen in hun sociale context. Ze richt zich daarbij op gezamenlijke besluitvorming met de zorgvrager en dienst naasten en houdt hierbij rekening met de diversiteit in persoonlijke eigenschappen, etnische, culturele en levensbeschouwelijke achtergronden en idealistische overtuigingen.

Beginsistuatie:

Voor de start van de opleiding werkte ik in de GGZ als begeleider, waarbij ik cliënten ondersteunde in het dagelijks functioneren. In mijn werk was ik gewend om cliënten te stimuleren, maar merkte ik dat ik vaak vanuit mijn eigen observaties dacht in verbeterpunten. Tijdens de opleiding heb ik geleerd dat zelfmanagement betekent dat de cliënt zelf regie houdt over zijn leven en dat zorgbeslissingen zoveel mogelijk samen met de cliënt worden genomen. Dit wordt ook wel shared decision making genoemd, waarbij zorgverlener en cliënt samen beslissen over doelen en interventies (Elwyn et al., 2012).

In de praktijk merkte ik dat dit niet altijd eenvoudig is, omdat cliënten soms andere prioriteiten hebben dan de zorgverlener. Vooral in de GGZ kan motivatie wisselen en kunnen klachten zoals angst, stemmen of spanning het gedrag beïnvloeden. Hierdoor werd ik mij bewust van het belang om het perspectief van de cliënt centraal te stellen en samen te zoeken naar haalbare doelen.

Ontwikkeling:

Tijdens de opleiding heb ik geleerd om zelfmanagement te versterken door gebruik te maken van klinisch redeneren en evidence-based practice. In de module klinisch redeneren heb ik geleerd om systematisch gegevens te verzamelen, problemen te analyseren en samen met de cliënt doelen te formuleren. Daarbij heb ik gewerkt met modellen zoals het ASE-model en het Lalonde-model om gedrag en gezondheid te analyseren.

Daarnaast heb ik tijdens de module Evidence-Based Practice geleerd dat verpleegkundig handelen gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke kennis, klinische expertise en de voorkeuren van de cliënt (Dobber et al., 2021). Dit betekent dat ik niet alleen kijk naar wat beter kan, maar ook onderzoek wat voor de cliënt haalbaar en betekenisvol is.

Door deze kennis ben ik bewuster gaan werken met gezamenlijke besluitvorming. Ik heb geleerd dat motivatie groter wordt wanneer doelen aansluiten bij wat de cliënt zelf belangrijk vindt. Ook heb ik geleerd dat gedragsverandering tijd kost. Tijdens een EBP-opdracht heb ik onderzocht hoe lang het gemiddeld duurt voordat nieuw gedrag een gewoonte wordt. Uit een systematische review blijkt dat gewoontevorming gemiddeld ongeveer 66 dagen duurt (Singh et al., 2024). Deze kennis heb ik gebruikt bij het opstellen van realistische doelen samen met de cliënt.

Toepassing op werk:

Tijdens mijn werk op een langdurige GGZ-afdeling heb ik deze competentie toegepast bij een cliënt met een autismespectrumstoornis en psychotische kwetsbaarheid die de wens had om zelfstandiger te functioneren richting een beschermde woonvorm. De cliënt had moeite met gewichtsregulatie, inslapen en omgaan met spanning. Deze problemen belemmerden zijn doel om zelfstandiger te worden.

In plaats van zelf verbeterpunten te bepalen, heb ik samen met de cliënt onderzocht waar hij zelf aan wilde werken. Door middel van gesprekken en observaties heb ik gegevens verzameld uit het dossier, het behandelplan en het multidisciplinair overleg. Vervolgens heb ik met behulp van het Lalonde-model en het ASE-model geanalyseerd welke factoren invloed hadden op zijn gedrag, zoals leefstijl, omgeving, motivatie en eigen effectiviteit. Hierbij bleek dat de cliënt gemotiveerd was om gezonder te leven, maar dat spanning en stemmen vaak leidden tot snacken als copingstrategie.

Samen met de cliënt heb ik doelen opgesteld volgens het principe van shared decision making. De cliënt dacht actief mee over haalbare veranderingen, zoals het kiezen van voedzame tussendoortjes, het gebruiken van andere copingstrategieën bij spanning en het bewuster omgaan met portiegrootte bij het avondeten. Omdat ik tijdens mijn EBP-opdracht had onderzocht hoe lang gedragsverandering gemiddeld duurt, heb ik dit meegenomen bij het opstellen van realistische doelen en evaluatiemomenten. Hierdoor konden we het plan aanpassen aan wat voor de cliënt haalbaar was (Singh et al., 2024).

Tijdens de uitvoering heb ik wekelijks met de cliënt geëvalueerd en samen gekeken wat goed ging en wat moeilijk was. Ook heb ik het team betrokken, zodat de afspraken op de afdeling werden ondersteund, bijvoorbeeld door fruit zichtbaar neer te leggen en rekening te houden met portiegrootte. Hiermee werd niet alleen het gedrag van de cliënt aangepakt, maar ook de omgeving aangepast, wat belangrijk is bij het versterken van zelfmanagement.

Door deze manier van werken merkte ik dat de cliënt meer eigenaarschap kreeg over zijn doelen en gemotiveerder bleef om eraan te werken. Ik heb geleerd dat zelfmanagement niet betekent dat de cliënt alles alleen moet doen, maar dat de verpleegkundige ondersteunt bij het maken van haalbare keuzes binnen de sociale context van de cliënt.

Deze situatie is uitgewerkt in een presentatie met video en heb het beoordelingsformulier hieronder als bewijslast geplaats.

 


Bewijslast:

Competentie 3:


  • De verpleegkundige indiceert en voert verpleegtechnische (voorbehouden) handelingen uit op basis van zelfstandige bevoegdheid of functionele zelfstandigheid zoals beschreven in de wet BIG.

Ontwikkeling

Tijdens mijn opleiding heb ik mij ontwikkeld in het veilig en verantwoord uitvoeren van verpleegtechnische handelingen. In het begin vond ik dit spannend, omdat je met het lichaam van de cliënt werkt en fouten direct gevolgen kunnen hebben. Ik was vooral bezig met “doe ik het wel goed?” en nam soms een afwachtende houding aan.

In het vaardighedenonderwijs heb ik geleerd hoe belangrijk hygiënisch werken is, zoals handhygiëne en steriel werken. Deze basis gebruik ik nu bij iedere handeling. Wat voor mij het verschil maakte, is dat ik handelingen niet meer alleen zie als iets technisch, maar als onderdeel van verpleegkundig handelen. Voor mij betekent dit dat ik vooraf nadenk waarom een handeling nodig is, wat er speelt bij de cliënt en waar ik op moet letten.

In de praktijk merk ik dat ik hierin ben gegroeid. Ik bereid mij beter voor, stel gerichter vragen en neem meer initiatief. Hierdoor voel ik mij zekerder en durf ik meer verantwoordelijkheid te nemen binnen mijn bevoegdheid.

Daarnaast heb ik mij in periode 2.2 verdiept in medicatie en medicatieveiligheid (ongeveer 40 uur). Ik heb mij onder andere verdiept in psychofarmaca, bijwerkingen en risico’s zoals lithiumvergiftiging en het serotoninesyndroom. Hierdoor kijk ik nu bewuster naar medicatie en signalen bij cliënten. Deze verdieping heb ik uitgewerkt in een document (zie bewijslast 1)

Toepassing in de praktijk:

In het skillslab heb ik verschillende verpleegtechnische handelingen geleerd, zoals wondzorg, injecteren, katheteriseren en steriel werken. In de praktijk heb ik deze handelingen vervolgens uitgevoerd onder begeleiding, zoals wondzorg, injecteren (insuline en depot), zwachtelen en katheteriseren.

Een situatie waarin ik deze competentie goed heb toegepast, was bij een cliënt waarbij de wondzorg werd overgenomen van de wondpoli na een amputatie van een teen. Omdat de zorg werd overgedragen, vond ik het belangrijk dat het voor iedereen duidelijk was wat er moest gebeuren.

Ik heb daarom een wondplan opgesteld, waarin ik heb beschreven hoe de wond verzorgd moest worden en waar op gelet moest worden. Daarnaast heb ik voorgesteld om volgens de TIME-methodiek te rapporteren, zodat we systematisch konden kijken naar tekenen van infectie en de voortgang of achteruitgang van de wond.

Door dit te doen heb ik niet alleen de wondzorg uitgevoerd, maar ook bijgedragen aan overzicht, continuïteit en kwaliteit van zorg. Ik merkte dat ik hierin meer initiatief nam dan voorheen en mijn kennis toepaste in de praktijk.

Daarnaast merk ik in mijn dagelijks handelen dat ik minder bezig ben met alleen de techniek, maar juist kijk naar het geheel. Bij wondzorg let ik bijvoorbeeld op kenmerken zoals roodheid, pijn en vocht en betrek ik de cliënt door uitleg te geven.

Door mijn verdieping in medicatie kijk ik ook bewuster naar bijwerkingen en signalen bij cliënten. Ik let bijvoorbeeld op veranderingen in gedrag of lichamelijke klachten die kunnen wijzen op complicaties. Dit helpt mij om risico’s eerder te signaleren en hierop te handelen.


Bewijslast: